Oefen met opgaven uit voorgaande centrale examens, geordend per domein, met uitwerkingen die laten zien waar het antwoord vandaan komt.
Van functies tot kansrekening, ingedeeld zoals het examenprogramma het voorschrijft.
Elk percentage is een deel van een geheel. Honderd figuren, tweeendertig gekleurd: dat is 32%.
Een frequentietabel wordt een frequentiepolygoon. Beweeg over een lijnstuk of over een frequentie om te zien wat bij elkaar hoort.
Bij een lineair verband komt er per stap steeds evenveel bij. Daarom is de grafiek een rechte lijn.
Bij een groeifactor groter dan 1 verdubbelt de waarde telkens. Kijk wat dat met de schaal doet.
De wolk loopt van linksboven naar rechtsonder: hoe hoger de ene variabele, hoe lager de andere. De trendlijn maakt dat negatieve verband zichtbaar.
Het toenamediagram laat zien hoeveel er per stap bij komt of af gaat. Beweeg over een lijnstuk of een streepje om het paar te zien.
Drie truien en vier broeken geven 3 × 4 = 12 combinaties. Dat is het vermenigvuldigingsprincipe.